En toen kwam de beer met zijn lange snuit en die blies… nee die at alle honing op. Deze ‘beer’ was het volgende luchtboogbeeldje van de Eusebiuskerk in Arnhem die gekopieerd moest worden. Alleen moet je wel heel erg goed kijken om er een beer in te ontdekken. Ik ben momenteel, voor degenen die het nog niet weten, 96 tufstenen luchtboogbeeldjes aan het vervangen in nieuwe Muschelkalksteen.
Gebroken
Het ritueel mag inmiddels bekend zijn: repareren van het origineel, blok nieuwe steen op de zaagmachine plaatsen en het beeld voorzagen. Dan de geprofileerde delen onderaan hakken en scharreren, daarna de beer hakken en tenslotte alles detailleren en afwerken.
Deze beer was net als een aantal andere luchtboogbeeldjes ook al een keer gebroken en weer verlijmd. Hij had een duidelijke breuklijn over zijn middel en de honingpot in zijn klauwen lag in stukjes op de pallet. Na het lijmen en het weer opboetseren van ontbrekende delen met plastiline-klei (die nooit hard wordt) heb ik het nieuwe blok steen op de zaagmachine geplaatst en ben ik het hele beeld nauwkeurig gaan nazagen.
Dat scheelt me enorm veel werk: ik hoef niet alle overbodige steen met hamer en beitel weg te slaan, ik hoef het niet met een haakse slijper te zagen (veel stof en herrie) en het allerbelangrijkste: het scheelt me dagen zo niet weken meetwerk. En daar heb ik een hekel aan, zoals je in dit bericht kunt lezen.
Dit stuk steen was vooral onderin een heel stuk grover en opener dan ik gewend ben. Het was dan ook niet makkelijk om te detailleren.
Goeie reis!
De groep van vijf luchtboogbeelden die ik de afgelopen tijd heb gemaakt kon ook de deur uit. Het is meteen een stuk ruimer op mijn erf, en ik denk dat diverse chauffeurs er onderweg nog plezier aan beleefd hebben, achter de vrachtwagen van Slotboom Steenhouwers aan (het wordt alleen weer tijd om de wagen te wassen, Hans!).
De afgelopen week ben ik begonnen met een heel interessante uitdaging: het hakken van een nieuwe gevelsteen. Het project verdient wel wat uitleg, want het omvat heel wat meer dan alleen dit ene reliëf.
Remisewijk in Haarlem
Het gaat in totaal om tien nieuwe gevelstenen voor het nieuw te bebouwen terrein in Haarlem waar vroeger het eindpunt en de remise van de tram en bus waren. Nu heeft de Stichting Geveltekens Vereniging Haerlem (SGVH) het plan opgevat om voor elke straat in dit nieuwbouwproject (tien in totaal) een gevelsteen te laten hakken. En omdat Haarlem een stripstad is, was het idee om dit te laten ontwerpen door tien verschillende striptekenaars en vervolgens in steen te laten uitwerken door tien verschillende steenbeeldhouwers. Ik ben gevraagd voor gevelsteen nummer tien, ontworpen door striptekenaar Toon van Driel, onder andere bekend van FC Knudde, De Stamgasten en zijn dagelijkse strip voor De Telegraaf.
De opdracht was dat in het ontwerp van de striptekenaar de betekenis van de straatnaam moet zijn uitgebeeld, samen met zijn of haar stripfiguur/figuren of het duidelijke herkenbare stripkarakteristiek van zijn eigen werk. Vervolgens moeten de beeldhouwers dit ontwerp driedimensionaal uithakken in steen, en polychromeren. De SVGH schrijft hierover: ‘De SGVH wil de geschiedenis van deze plek als tram-en busremise zichtbaar maken door bij de straatnaamborden in de buurt een gevelsteen te plaatsen welke verbeeldt waar de straatnaam vandaan komt. Het idee ontstond omdat o.a. striptekenaar Theo van den Boogaard vroeger heel veel stripposters voor de NZH heeft getekend. (…) Hierdoor ontstaat in de wijk een mooi openbaar kunstwerk verdeeld over 10 straten. Voor de striptekenaar de kans om zijn “strip” in steen uitgebeeld te krijgen. Voor Haarlem om de stripstad te promoten.’
Verfrissend
Over het algemeen beschouwen we gevelstenen als iets van een ver verleden, toen dit de huistekens waren in plaats van de huisnummers die we nu kennen. Maar af en toe komen er nog wel opdrachten voor nieuwe geveltekens, en er zijn nog steeds een aantal kunstenaars die dit werk geregeld onder handen hebben. Ook ik heb, in een periode dat ik nog niet regelmatig foto’s van mijn werk nam, af en toe een gevelsteen onder handen gehad. Het bleef echter bij incidenten. Over het algemeen worden deze reliëfs erg gewaardeerd, maar tot opdracht komen is een andere zaak. In die zin vind ik het een uniek gebeuren dat de SVGH dit initiatief heeft genomen en een projectontwikkelaar bereid heeft gevonden om hieraan mee te werken. De samenwerking met de striptekenaars is ook een geniale vondst, waardoor er een soort verfrissende kruisbestuiving plaatsvindt tussen een traditioneel ambacht en een eigentijdse visie.
Ontwerp en uitvoering
Het reliëf dat ik nu aan het maken ben heeft de typerende humor van Toon van Driel. We zien een pinguïn die op het punt staat een tram in te gaan, terwijl hij klaagt dat die te laat is. De tram staat op een ijsschots in de zuidelijke poolzee. Het is de karakteristieke blauwe tram waar de straat naar vernoemd is.
Voor deze gevelsteen heb ik een stuk Udelfanger zandsteen gekocht van 54 x 62 cm, met een dikte van 12 cm. Ik ben begonnen met de contouren van de voorstelling over te nemen op de steen. Daar doen we niet al te moeilijk over: ik zet de print met tape vast op de steen, en hak dwars door het papier heen. Klaar. Daarna ben ik voor elk onderdeel de diepte gaan bepalen, en ben van laag naar hoog de onderdelen als contourblokken gaan hakken. Daarna komt pas de vormgeving van de onderdelen. Zo hoef ik maar weinig te meten en houd ik steeds mijn referentiepunten. Een uitleg van deze methode vind je hier en hier. Omdat me gevraagd was een echt reliëf te maken met flinke diepteverschillen heb ik goed gebruik gemaakt van het materiaal. Het diepste deel ligt ongeveer 8 cm diep. Zelf houd ik er ook het meest van als het allemaal flink wat volume heeft; een plat plaatje dat rondom is ingekerfd maakt wat mij betreft nog geen gevelsteen!
Toegepaste kunst, toegepaste vormgeving
Nu heb je inmiddels misschien al begrepen dat ik een groot zwak heb voor bouwbeeldhouwwerk. Ruimtelijke vormgeving zonder hoge pretenties die is toegepast in de context van een gebouw, met liefst zowel een praktische als decoratieve functie. Er zijn in het verleden kapitelen gemaakt met beeldhouwwerken, zuilen in de vorm van tillende mannen en vrouwen (atlanten en kariatiden), hoekblokken met decoraties, ingangspartijen, consoles, van alles. Helaas krijgt de laatste vijftig jaar nog maar zelden een gebouw een decoratief of gebeeldhouwd ornament. Het zou leuk zijn om ook voor nieuwe gebouwen weer beeldhouwwerken te mogen ontwerpen en uitvoeren. Er gebeurt af en toe wel wat moderns, zoals het nieuwe stadhuis van Deventer, dat voorzien is van 2300 vingerafdrukken. Maar het is nog lang niet zo standaard als bijvoorbeeld de bouwsculptuur van de Amsterdamse School in de jaren 1910 tot ongeveer 1930.
Enkele voorbeelden van beeldhouwwerk dat ik de afgelopen jaren heb mogen vervangen in verschillende steensoorten.
Nieuwe tijden, nieuwe ontwerpen
Toch heb ik in de afgelopen 24 jaar van alles mogen maken dat in gevels van gebouwen werd verwerkt: guirlandes, spiralen, consoles, kapitelen, wapenstenen, gevelstenen en nog veel meer. Bouwsculptuur heeft een ondersteunende functie, het voegt iets toe aan de omgeving zonder alle aandacht naar zich toe te willen trekken. Het zou prachtig zijn om een hele ingangspartij in natuursteen te ontwerpen, of een gevelbekroning. Modern gestileerd, vloeiende lijnen met subtiele spanning die de geometrische vormen van de architect complementeren. Een samenwerking tussen de architect of ontwerper en de beeldhouwer kan hierin natuurlijk wederzijds stimulerend werken.
Wel denk ik dat er nog een stuk onbekendheid met de mogelijkheden en koudwatervrees is in de architecten- en bouwwereld. Ook proef ik een voorkeur voor heel strak computergefreesd werk, iets wat meestal met de hand niet haalbaar is. Ongetwijfeld komt er eens weer een omslagpunt de andere kant op, maar ik ben benieuwd of ik dat nog ga meemaken.