• Dat neusje eraf…?

    Dé meest gestelde vraag van bezoekers aan een beeldhouwerij is de volgende: ‘En als je nou bíjna klaar bent, en je hakt zo’n neusje eraf…?’  (of handje, of vingertje, of puntje, enzovoorts). Mijn collega’s en ik hebben die vraag al zo vaak gehoord, dat we het weleens een beetje zat werden. Dan zeiden we met een doodernstig gezicht: ‘Ja, dat blijft altijd een probleem hè, dat je dat neusje eraf slaat. Dat was vroeger al zo. Kijk maar eens naar al die oude Egyptische beelden, daar is ook altijd die neus eraf.’

    Je hebt niet altijd zin om uit te leggen dat in veel culturen een tempelbeeld absoluut ongeschonden moest zijn, en dat het anders ongeschikt was voor verering. Dat de Egyptische beelden oorspronkelijk dus klokgaaf waren. Dat in Egypte de Islam later zijn intrede deed, en dat in dit geloof het een gruwel is om een afbeelding van mens of dier te vereren. Dat veroveraars niet altijd de tijd hadden om rustig de beelden tot gruis te slaan, zeker als die twintig meter hoog waren of van keihard dioriet. Logisch dat ze dan genoegen namen met de neus. ‘Wie zijn neus schendt, schendt zijn aangezicht.’

    Bamyan boeddhabeelden. dat neusje eraf?

    We hebben het nog vrij kort geleden kunnen zien hoe de Taliban de twee enorme Boeddhabeelden van Bamyan opbliezen. De gezichten waren in een eerder stadium al verwijderd. De Islam wijst de mens erop dat God niet in een afbeelding te vatten is. Ik denk zelf ook altijd dat onze pogingen om zelfs maar de schepping te beschrijven lachwekkend tekort schieten, laat staan onze beschrijvingen van God zelf. Aan de andere kant is God voor de mens vaak zo ongrijpbaar groot, dat in andere culturen een afbeelding gebruikt wordt om toegang tot God te vinden door middel van tedere devotie. Voor alle twee opvattingen is een plek, en daarom is het erg jammer dat de Taliban op deze manier hun opvatting aan anderen probeerden op te dringen. Laat ik het daar maar bij houden.

    Niet zo veel anders dan onze eigen beeldenstorm overigens…

    Maar hoe kan het nu dat de beeldhouwers over het algemeen niet op het laatste moment een handje of een neus kapotslaan? Het antwoord daarop is alleen voor de leek een raadsel. Beeldhouwers weten dat dit soort harde klappen alleen in het beginstadium voorkomen, als het beeld nog massief is, en het risico klein is. Je moet natuurlijk wel oppassen, want anders sla je in het beginstadium zo hard dat je breuken in de onderliggende steen veroorzaakt, waar je dan later problemen mee krijgt. Maar op dat punt steken er nog geen handjes uit, of neuzen die kunnen afbreken. Als het hele beeld grof is opgezet, ga je verder verfijnen. Op dat moment ga je met steeds lichter gereedschap werken en kleinere stukjes verwijderen, totdat je in het stadium komt dat je details gaat afwerken. Tegen die tijd is het absurd om het beeld nog met harde klappen te lijf te gaan. Pas heel op het eind haal je de bruggetjes weg die je ter ondersteuning van kwetsbare delen had laten zitten. Je moet alleen oppassen bij het raspen, dat je de rasp niet per ongeluk als een hefboom klem zet als je ergens tussenin raspt.

    We haalden weleens vaker een geintje uit met bezoekers. Als we zagen dat ze vragen gingen stellen over het steenstof, en of dat niet ongezond was, dan namen we stiekem een handje vol gruis en stof. Als ze dan keken,  hoestten we demonstratief door onze vuist, zodat het leek alsof er een grote stofwolk uit onze longen kwam.

  • Houtsnijden in Ecuador

    In 1987/1988 reisde ik drie maanden in Ecuador. Het werd een reis die mijn leven zou veranderen, omdat ik na allerlei moeilijkheden meegemaakt te hebben in aanraking kwam met houtsnijden.

    Ik trof mijzelf in bijzonder moeilijke omstandigheden, zonder geld en paspoort, en mocht daardoor eigenlijk de hoofdstad Quito niet uit. Maar met geleend geld leerde ik Spaans, en trok eropuit. Zo kwam ik in het dorpje San Antonio de Ibarra, waarvan ik gehoord had dat er allemaal houtsnijders woonden en werkten. Het was voor mij luilekkerland!

    Vanaf mijn dertiende was ik thuis in de schuur bezig geweest met rommelen in hout. Ik hakte een tjalk uit een blok vurenhout,  een esdoornblad uit keihard Azobé en verder maakte ik nog wat dingetjes die nooit een eindstadium bereikten. Ik had welgeteld één gutsje, waarmee ik alles moest doen, en besefte dat ik les moest hebben. Maar waar?

    In San Antonio zag ik mijn kans schoon. Ik liep een werkplaats binnen en vroeg of ik ergens het vak kon leren. Met mijn beperkte Spaans van drie weken begreep ik dat er wel een opleiding in het dorp was, waar je in zes jaar werd opgeleid tot volleerd houtsnijder. Prachtig, maar zolang had ik niet. De man raadde me aan elders in het dorp te vragen of ik daar een tijdje in de werkplaats kon leren snijden.

    Al bij de volgende werkplaats was het raak: als ik betaalde voor het hout dat ik gebruikte kon ik wel leren houtsnijden!

    De baas van de werkplaats, Hugo Garrido, was een jonge kerel. Hij was zeer getalenteerd, ambitieus, hartelijk, en had een open karakter. Het bleek dat hij enkele jaren daarvoor een jaar in Duitsland als houtsnijder had gewerkt, om toeristisch houtsnijwerk in lindehout dat onder de kopieerfrees vandaan kwam, met de hand af te werken. Hij kende dus zelfs nog wat Duits, maar ik merkte wel dat hij daar niet al te best behandeld was, als een soort gastarbeider.

    wapen1

    Zo heb ik daar vijf weken kunnen houtsnijden, en hoewel dat veel te kort is heb ik erg veel geleerd. Ik ging naar huis met een twintigdelige set gutsen voor een spotprijs, die speciaal voor mij op maat gesmeed werden, en de houtdraaier maakte er een serie bijpassende handvatten bij.

    Die gutsen gebruik ik af en toe nog steeds, als ik in hout werk. Ze zijn veel dunner dan de gutsen die je hier in Nederland kunt kopen, en gaan ook veel makkelijker door het hout. Het is jaren geleden dat ik er mee werkte, voor een paar wapenschildjes, maar laatst heb ik voor de aardigheid weer wat in hout gehakt. Met een pneumatische hamer, dat wel, de tijd heeft tenslotte niet stilgestaan!

Geen berichten meer om te tonen.

Geen berichten meer om te tonen.