• Locatie, locatie, locatie

    Jan van Velzen

    Een van de dingen waar ik altijd met bewondering naar gekeken heb bij de beelden van mijn vader is de plaats die hij ervoor heeft uitgekozen. Mijn vader is de Onderdijker beeldhouwer Jan van Velzen. Hij heeft bij een aantal van zijn beelden zelf de plek ervoor mogen uitkiezen, iets dat lang niet altijd aan de kunstenaar wordt overgelaten. Zijn eerste grote beeld was De Dijkwerker,

    een bronzen beeld van een spittende man. Anders dan de meeste beelden van dijkwerkers betreft het hier geen steenzetter, omdat in deze omgeving de dijken oorspronkelijk van klei werden gebouwd, die met schop en kruiwagen werd verplaatst.

    Het was zijn eerste grote opdracht. Hij was opgevallen als beeldhouwer toen hij enkele jaren daarvoor een ontwerp voor een beeld van de heilige Gerardus Majella had gemaakt. De parochie bestond 70 jaar en als onderdeel van een cabaret werd met drumband en veel bombarie aan het eind een ‘nieuw beeld’ onthuld van Sint Gerardus Majella, zogenaamd voor in de kerk.

    Bollenrooiende tuinder (Gerardus Majella) door Jan van Velzen

    Ik denk dat mijn vader in die jaren een zekere eigenzinnigheid niet ontzegd kan worden. Kennelijk had hij niets met de traditionele vrome afbeelding van Gerardus, want hij besloot dat Majella een eenvoudig man was geweest, en verkoos hem af te beelden zoals de mensen om zich heen: een tuinder, op de knieën in de klei. Met ontbloot bovenlijf.

    Wat te verwachten viel gebeurde natuurlijk: Gertje op zijn knieën was de parochianen een stap te ver. Achteraf wel een glimlach waard. Ik denk ook niet dat mijn vader er op rekende dat dit beeld serieus een plek in de kerk zou krijgen. Dat was ook nooit de opzet geweest. Maar het boetseren had zijn creativiteit weer aangewakkerd en heeft de aanzet gegeven waardoor hij werd gevraagd voor de Dijkwerker.

    Ik was in die tijd zeventien, en dacht dat ik wel een beetje creatief was, maar dat ik nooit een beeldhouwer zou kunnen worden zoals mijn vader. Ik had zo weinig vertrouwen daarin dat ik ook nooit geprobeerd heb op een kunstacademie te komen.

    Jan van Velzen wasmodel Moeder en kind

    Maar ik vond het werk aan De Dijkwerker fascinerend. Voor mijn vader was werken op dit formaat ook allemaal nieuw, en terwijl hij leerde, leerde ik mee. Werken met piepschuim en was, vergroten, boetseren, slepen met het wasmodel op locatie om te overleggen voor de beste plek. Ik maakte er nog een werkstuk over toen ik een opleiding aan de Grafische MTS in Amsterdam deed.

    VanVelzen-Dijkwerker 1981

    Het beeld staat nu in een grote open ruimte, aan het eind van het dorp, zo ongeveer tussen Onderdijk en Wervershoof in. Toen hij rond eind 1980 al wandelend met mijn moeder deze plek had uitgekozen, waren wij kinderen eerst ontzet. Het was toen nog één grote modderbende, met een nieuw gemaal en een paar grote sloten, op een plek waar weinig mensen met aandacht naar keken. Paste zo’n beeld niet beter in het hart van het dorp?

    Achteraf gezien kan ik alleen maar zeggen dat hij enorm gelijk heeft gehad. Het beeld valt meteen op door het ontbreken van allerlei storende elementen, de modder maakte plaats voor gras en bomen en bloeiend fluitekruid, en de Dijkwerker is een herkenningspunt voor het dorp geworden.

    Dijkwerker Jan van Velzen

    Het valt me op dat een aansprekend beeld het vermogen heeft om de omgeving te beïnvloeden. Dan denk ik bijvoorbeeld hoe ‘de beste stuurlui’ aan het havenhoofd van Medemblik van een plek met een eind-van-de wereld-gevoel een geliefd plekje hebben gemaakt, omdat ineens duidelijk werd dat de omgeving zorg nodig had. De rommel wordt opgeruimd, het pad wordt verhard of bijgewerkt, het groen wordt verzorgd en wat een achterafplek was krijgt allure. Zo ook met het landje van Top achter de Drommedaris in Enkhuizen, dat door ‘Paulus Potter’ van een leeg hondenveldje ineens focus krijgt en verandert in een fotolocatie.

    Toch was er een Wervershover die hem zei dat hij het een Onderdijks beeld vond, en vroeg: ‘Heb je het niet een beetje al te bont gemaakt?’ Hoezo dan, vroeg mijn vader. ‘Nôh’, was het Westfriese antwoord, ‘Het is wel een mooi beeld hoor, daar niet van, maar hai staat vezellef wel met z’n kont nei Wervershoof!’

  • Taille directe vs taille indirecte

    Taille directe

    Hoeveel ik er ook van hou om al hakkende mijn weg door de steen te zoeken, het is niet altijd de handigste manier van werken, vooral bij een groot werkstuk. Het voordeel van taille directe is dat je gedachten over de vorm meegroeien met de vorm zelf, en dat je misschien wat rechtstreekser werkt.

    En, zoals Bob Ross al zei: ‘We don’t make mistakes, we just have happy accidents’. Af en toe word je door een ‘foutje’ gedwongen je gedachten te verzetten, en naast dat dit je leert flexibel en inventief te zijn, kan het soms onverwacht iets positiefs opleveren. Het nadeel is dat het een heel tijdrovende manier van werken kan zijn, vooral bij ingewikkeld werk. Je bent steeds bezig oplossingen te vinden, en in steen valt dat niet mee. Een ander nadeel is dat een echte fout in steen onherstelbaar is. Bij een beeld van 2 meter 30 wil je daarin niet belanden.

    Taille indirecte

    auguste-rodin-in-atelier. Taille indirecte
    het atelier van Auguste Rodin

    Vandaar dat al in de oudheid beeldhouwers een model maakten van klei, en daarvan de maten namen om het groot uit te voeren. Nou is een kleimodel naast een beeld waaraan je staat te hakken niet handig. Eén scherf die verkeerd wegspringt en je kleimodel is naar zijn grootje. Ze maakten dan ook een afgietsel in gips, dat ze gebruikten als model voor het hakken. Dit leidde ertoe dat ook andere beeldhouwers het hakwerk konden uitvoeren. Zo had Auguste Rodin bijvoorbeeld een heel atelier vol assistenten, die zijn beelden voorhakten vanaf zijn model, waarna de meester zelf de laatste hand eraan legde (soms alleen zijn paraaf). Hiervoor gebruikten ze een model op ware grootte en namen de maat met een punteerapparaat.

    Twee methodes combineren

    slose up van punteerapparaat, hulpmiddel voor taille indirecte in steen en hout

    Bij dit beeld heb ik geprobeerd het beste van beide methodes te combineren door in taille directe een model te snijden uit Pirschuim, dat ik nu gebruik als model voor het grote beeldhouwwerk. En omdat ik met vrij weinig meetpunten werk, blijft er altijd nog een heel groot deel van het vormgevingsproces over voor het uiteindelijke beeldhouwen in steen.

    De dolomiet waar ik dit beeld in hak is een prettige steen om in te werken. Ik werk er voor het eerst in, en merk dat hij niet al te hard is (iets minder hard dan Belgisch hardsteen), maar wel wat gelaagd. Hij oogt nu nog wat grijzig, maar als je hem fijn schuurt, of natmaakt, of in de olie zet, dan komt de groenige kleur duidelijk naar voren. Als hij klaar is wordt het tijd om met een paar proefstukken de beste behandeling te kiezen om hem zachtgroen te krijgen. Als het beeld buiten zou staan, dan wordt hij vanzelf wel steeds groener, maar hij is voor binnen bestemd. En ja, zoals je ziet: het blijft stoffig werk. Gelukkig heb ik een goeie stofkap.

    En ja, zoals je ziet: het blijft stoffig werk. Gelukkig heb ik een goeie stofkap.

    Naar het eerste bericht over dit project.
    Naar het volgende bericht over dit project.

Geen berichten meer om te tonen.

Geen berichten meer om te tonen.